Odontochelys semitestacea of " Hoe schildpad aan zijn schild komt " (A)
The fossil turtle Odontochelys semitestacea has a fully formed shell shielding its belly, but an incomplete upper shell, extending from its ribs and backbone. Photograph: Institute of Vertebrate Palaeontology and Palaeanthropology, Beijing
Paleontologen hebben drie 220 miljoen jaar oude schildpaddenfossielen ontdekt in de sedimenten van het trias van China . Het gaat om het oudste fossiel tot nog toe De vondst kan helpen om enkele belangrijke vragen over het ontstaan van het schildpaddenpantser (1) te beantwoorden.
Bijzonder aan deze oude dieren is dat ze wel een pantser op de buik hadden, maar niet op de rug.(carapax) En ze beschikten over tanden: hedendaagse soorten schildpadden hebben een verhoornde rand aan hun bek.Bovendien bezat het dier een spitse snuit en een lange staart , maar het is wel degelijk een oerschildpad .
Het enige dat aan een rugschild doet denken is de aanwezigheid van een soort hoornen schildplaatjes op de ruggenwervels.
Aangezien deze schildpad geen losse hoornen platen op zijn rug heeft kunnen deze ook niet samengeklonterd zijn tot een schild. Het buikschild en de verhoornde ruggenwervels suggereren dat alleen de huid op de rug nog hoefde te verbenen.
De onderzoekers beweren dat de rug later als geheel verbeend is. De ontwikkeling van de embryo’s van hedendaagse schildpadden ondersteunt dit idee. Bij de foetus groeit ook eerst het buikschild en verbeent de rug pas later
De officieele bekendmaking ,voor het grote publiek , van de vondst en een eerste kennisgeving-studie verschenen in Nature
a, Skeleton in dorsal view. b, Skull in dorsal view. c, Skull in ventral view. d, Body in dorsal view. Teeth on the upper jaw and palatal elements were scratched out during excavation. Abbreviations: ar, articular; as, astragalus; ca, calcaneum; d, dentary; dep, dorsal process of epiplastron; dsc, dorsal process of scapula; ep, epiplastron; fe, femur; fi, fibula; gpep, gular projection of epiplastron; hu, humerus; hyo, hyoplastron; hyp, hypoplastron; il, ilium; ipt, interpterygoid vacuity; j, jugal; ldv, last dorsal vertebra; m, maxilla; n, nasal; na, naris; op, opisthotic; p, parietal; phyis, posterolateral process of hypoischium; pm, premaxilla; po, postorbital; prf, prefrontal; q, quadrate; sq, squamosal; st, supratemporal; sv1, 1st sacral vertebra; ti, tibia; ul, ulna; vot, vomerine teeth; I, V, 1st and 5th metatarsals.
Merk de schedel op ; Er zijn tanden en niet uitsluitend een tandeloze hoornige bek zoals bij de moderne schildpadden . Ook de rug is bijzonder voor een schildpad : De ribben zijn afgeplat en breed ...maar er is geen schild ...Het is een schildpad zonder schild....
Laten we het eens omkeren :Er is nog een ander specimen voorhanden waarvan we de ventrale zijde kunnen bestuderen ...en jawel daar is overduidelijk het plastron aanwezig ....het buikpantser van de schildpadden
a, Skeleton in ventral view. b, Body in ventral view. c, d, Skull in ventral and slightly lateral views. Abbreviations as in Fig. 1, plus: ao, anal opening; bo, basioccipital; bs, basisphenoid; cav, caudal vertebrae; che, chevron; ent, entoplastron; hyis, hypoischium; is, ischium; meso I and II, mesoplastra 1 and 2; pr, prootic; prq, pterygoid ramus of quadrate; pt, pterygoid; pu, pubis; qj, quadratojugal; qrp, quadrate ramus of pterygoid; ra, radius; trpt, transverse process of pterygoid; xi, xiphiplastron; I, IV and V, 1st, 4th and 5th digits.
Wat we hier gevonden werd is een langbenig ,met een lang lichaam en met tanden uitgerust reptiel ____In het bezit van een plastron zoals een schildpad en met aanwijzingen of startplaatsen in de beenstructuur van de ruggegraat van waaruit een rugschild kan ontwikkelen ....De waargenomen morfologieen zijn ook kompleet conform/inpasbaar met/in de embryologische ontwikkelingen van de moderne schildpaden ;eerst het plastron en daarna het ruggeschild Dit is een prachtige transitioneel .
( artist reconstruction / deMorgen /Nature )
Li C, Wu X-C, Rieppel O, Wang L-T, Zhao L-J (2008) An ancestral turtle from the Late Triassic of southwestern China. Nature 456: 497-501.
Eerder ontdekte schildpadfossielen beschikten allemaal over een compleet pantser-kapsel , zodat onderzoekers het raden hadden naar de ontstaansgeschiedenis van het verbluffende staaltje van zelfverdediging.
Het oudste fossiel tot nu toe was van een schildpad ter land, van 205 miljoen jaar terug, uit Duitsland: Proganochelys
The general morphology of turtles, showing the high level of similarity between Triassic and modern forms.
(A) The( formerly) oldest known turtle, Proganochelys quenstedti, from the Upper Triassic of Germany. (B) The extant turtle, Emys orbicularis (the European pond turtle). Figure modified from Gaffney (1990).
Maar Proganochelys quenstedti was ook al compleet geharnast en gaf daarom geen uitsluitsel over de evolutionaire schreden op weg naar het schild
Het leek wel een "onherleidbaar " kenmerk van de schildpadden , dat plotst "volledig " moest zijn onstaan van bij het begin Echter De pas ontdekte schildpad heeft een volledig ontwikkelde buikplaat maar nog geen volledig ontwikkeld rugschild. Ze beschikt wel over bredere, verstevigde ribben en verstevigingen ter hoogte van de rugwervels.
Over de ontwikkeling van het pantser bestonden tot nu toe twee theorieën.
1.- Mogelijk ontstond het pantser uit verhoornde huidplakken( afkomstig van de huid dus ) die zich aan de ribben en wervels vasthechtten. Dino’s en de krokodillen van nu ’kozen’ voor zo’n bepantsering van bothuid. (3)
2.- De nu meer gangbare theorie zegt dat de wervels en ribben aan de onderkant steeds verder naar buiten groeiden en zo eerst een buikschild vormde. Uiteindelijk omspanden die uitdijende botten het hele dier. Als je het embryo in het ei volgt, lijkt daar meer voor te zeggen dan voor de verhoornde huid.
De skeletjes uit China (40 centimeter) met buikplaat en zonder rugplaat zijn daarmee te rijmen. Ze doen vermoeden dat de schildpad oorspronkelijk in het water is begonnen. Daarin dobberend zou hij dan van onderen goed beschermd zijn tegen rovers. Op land moest daar een bovendeksel bij. Overigens duidt ook de structuur van de voorpoten op een aquatische leefwijze van de dieren die deze fossielen hebben nagelaten
De gevonden fossielen suggereert de stelling dat het schildpadpantser zich in twee stappen ontwikkelde:
Eerst ontwikkelde zich aan de buikzijde het zogenaamde plastron. In Odontochelys wordt het plastron verder volledig ontwikkeld met inbegrip van alle aanwezige beenderen die in recentere schildpadden worden gevonden.
De bovenkant ( of het schild,) wordt vertegenwoordigd door een paar kleine huidbeen-vomgevingen , direct boven enkele ruggewervels....die "verstevigingen " zaten derhalve in de ideale positie om verderte ontwikkelen tot de neurale beenderen in het schild van alle recentere schildpadden.
De vondst, , doet vermoeden dat verbreding van de ribben en beenvorming ter hoogte van de ruggengraat de eerste stappen in de evolutie van het schildpaddenschild waren .... Deze hypothese wordt ondersteund door de embryologische ontwikkeling bij schildpadden.(2)
(1) De hardleerse (en liegende ) creationisten blijven zeggen dat " er is nooit een "vis" gevonden met pootjes " ( maar dan wordt er plotst eentje gevonden met pootjes ) ..., of "Er is nog nooit een walvis met achterpoten gevonden " ( en dan duikt er plots een op ) ....of "Nog nooit is een halfbepantserde schildpad gevonden " ...maar nu is er wél eentje ontdekt .... Odontochelys is het zoveelste transitionele fossiel dat de creationisten steeds weer opeisen " een halfbepantserde schildpad " met haar " onherleidbaar "(=IC) harnas ..... Toch blijven ze beweren " er zijn geen overgangsvormen ....."
(2) "Is het mogelijk dat deze particuliere tak aan de struik van de schildpad-evolutie afstamt van voorouders met een komplete bepantsering (= degeneratie ?) en dat vervolgens een gedeeltelijk verlies van het pantser een fitness- voordeel inhield ? "
Odontochelys semitestacea – letterlijk de ’betande, half-schildige’ schildpad – laat ruimte voor andere scenario’s dan de nu gesuggerteerde twee -stappen ontwikkelings-lijn . In een begeleidend commentaar in Nature suggereren enkele paleontologen dat deze schildpadden hun rugschild zijn verloren. Het geraamte van het hele schild lijkt namelijk wel aanwezig, maar de bekleding ervan aan de rugzijde niet. Misschien was dat in water prettige aanpassing. Sommige hedendaagse "Water"-schildpadden hebben immers ook een wat slapper harnas.
De vondst van de oudere schildpad kan er volgens de onderzoekers op duiden dat de schildpad oorspronkelijk een waterdier was, dat pas later het land is opgekropen.
Wetenschappers Robert Reisz en Jason Head van Universiteit van Toronto grijpen de vondst aan om in Nature een andere visie te publiceren. De schildpad kan ook juist een verder geëvolueerde vorm van de schildpad zijn die afscheid heeft genomen van zijn rugschild. De lederschildpad is bijvoorbeeld een hedendaagse waterschildpad die geen hoornen rugschild heeft.
Er zijn echter teveel primitieve eigenschappen gedetecteerd bij de nu gevonden fossielen , om die mogelijkheid te blijven overwegen = Odontochelys, bezat tanden op de tandboog , het gehemelte , de maxilla en premaxilla.
We mogen er ons aan verwachten dat de plastron het eerst ontwikkelde want , zoals ontwikkelingsbioloog PZ Meyers betoogd , tijdens de ontwikkeling van het schildpad-embryo verschijnt eerst het plastron , gevolgd door de groei van het schild ....Dit suggereert minstens dat het plastron eerst evolueerde en de rest van het pantser slechts later aansloot ... .
(3) er bestaan natuurlijk ook nog hedendaagse aanhangers van de hypothese dat het schildpadschild onstond uit huidstructuren zoals schubben en dermale platen... Een van de fossielen die ( tot nu toe ) dit meenden te kunnen ondersteunen werd gevonden in New-Mexico
Een 75 miljoen jaar oud fossiel van een drachtige schildpad, werpt een nieuw licht op de evolutie van reptielen. Het is ook de eerste keer dat een fossiel werd gevonden van een drachtige schildpad.
De eieren-dragende moeder werd in 1999 ontdekt in het zuidwesten van Canada (1) door leden van 'the Royal Tyrrell Museum of Paleontology' In 2005 vonden paleontologen van de 'University of Calgary ' ( Darla Zelenitsky )85 km daar vandaan een nest eieren van dezelfde soort; De 4cm lange ronde eieren werden gelegd in de nabijheid van een rivier " Het is vrij zeldzaam om eieren en babies van een uitgestorven dier te vinden , het is nog zeldzamer om ze in het lichaam van hun moeder te vinden " zei Darla Zelenitsky, , die ook al betrokken was bij de vondst en de studie van een drachtige dinosaurier ( een van de jongste bewijzen van de link met de vogels )
De Canadese onderzoekers beschrijven hun vondst deze week in het vaktijdschrift Biology Letters.
"....Although it is relatively rare to find the eggs and babies of extinct animals, it is even rarer to find them inside the body of the mother," says Darla Zelenitsky. (Credit: Photo by Ken Bendiktsen)
"De schildpad werd uitgeprepareerd aan ' the Royal Tyrrell Museum' ;dat duurde ongeveer een jaar ' zei Zelenitsky. "Vorig jaar werd het uitpreparen van het nest succesvol be-eindigd ...ik heb gewacht om beide vondsten samen te kunnen publiceren in hetzelfde paper..."
"Het schild van het dier was bij de ontdekking al gedeeltelijk gebroken ; ...dit toonde onomwonden aan dat het restant van een moederschildpad afkomstig was " zei François Therrien, curator of dinosaur palaeoecology at the Royal Tyrrell Museum Uit een CT-scan bleek de veertig centimeter lange rivierschildpad nog meer eieren onder zijn schild te hebben ; het dier bevatte minstens vijf verpletterde eieren Het later gevonden nest bevatte 26 eieren : De normale dracht wordt zo ongeveer op ong 20 eieren geschat
De schildpad behoort tot de soort Adocus en leefde ten tijde van de dinosauriërs. "Het gaat om een erg primitieve schildpad die waarschijnlijk basaal ligt in de stamboom der moderne schildpadden ;De ontdekking van eieren en nest stelt ons in staat meer te leren over de evolutie van deze kenmerken in moderne schildpadden van vandaag ..."zei Darla Zelenitsku "Gebaseerd op deze fossiele vondsten kunnen we veronderstellen dat:de voorouders van de meeste huidige extante schildpaden met schild-beschermde nek, ___de meerderheid der soorten vandaag___grote hoeveelheden eieren met harde /rigiede schalen, legden ..," zei Therrien.
De eieren blijken dus extreem hard en dikschalig te zijn, terwijl die van hedendaagse soorten veeleer dun en zacht zijn. De dikke eierschalen kunnen zo geëvolueerd zijn dat ze het ei beschermden tegen uitdroging in droge klimaten of tegen roofdieren zoals dinosauriërs.
(1) badlands of southeastern Alberta,ten zuiden van Medicine Hat/ Manyberries, Albertaarea / een van de meest beroemde en komplete vindplaatsen van niet-mariene schildpadden uit het krijt
Shell of Adocus, a Late Cretaceous to Eocene member of the extinct family Adocidae. Note the lengthened, smoothly contoured shell form of this large aquatic turtle. Double lines show the limits of the horny plates covering the bony shell. The species shown is the Late Cretaceous Adocus punctatus, with a shell length of about 53cm.
(5) Mlynarski, M. 1976: Testudines. Handbuch der Paläoherpetologie/Handbook of Paleoherpetology, Part 7, Gustav Fischer Verlag
Dit fossiel ( genus Adocus) is afkomstig van "the Grand Staircase-Escalante National Monument " in Kanab, Utah en ontdekt in 2006 .....Het is klaar om te worden gescand , op zoek naar meer eieren onder de schaal
In Utah zijn ong 10 soorten schildpaddden en afzonderlijk gefossilifieerde eiren gevonden in de harde zandsteen
Aurorachelys
In het hoge noorden van Canada heeft een team geologen van de Universiteit van Rochester een onverwachte fossiel opgegraven: een soort van tropiese, zoetwaterschildpad, verwant met soorten die tegenwoordig alleen in Azie voorkomen.
"Knowing from previous expeditions to the area that the rocks were rich with fossils, Tarduno kept an eye out for them and was rewarded when one of his undergraduate students uncovered the amazingly well preserved shell of a turtle. Together with collaborator Donald Brinkman of the Royal Tyrrell Museum of Canada, they later named the fossil Aurorachelys, or aurora turtle. The turtle strongly resembles a freshwater Mongolian species, which raised obvious questions about how it(s ancestors ) came to be in the (salty) marine waters of the North American Arctic."
De stamouders van die beesten migreerden direct vanuit Azie naar Noord Amerika Ze migreerden via een zoetwaterzee die boven op de warme zoute Arctiese Oceaan dreef, (1) zeggen de wetenschappers van Rochester.
"[The] animals migrated from Asia to North America not around Alaska, as once thought, but directly across a freshwater sea floating atop the warm, salty Arctic Ocean."
Dus NIET , zoals altijd was aangenomen via Alaska, waar eens een hypothetiese landbrug lag die Azie met het Amerikaanse continent verbond.....
Toen ik op Guam woonde was een van de eerste dingen die ik leerde dat praktische de gehele zoetwatervoorraad van dat eiland drijft op een massa zout water. Google maar eens op 'fresh water lense system guam'. Ook wanneer je eens gaat duiken bij een riviermonding zal je zelf de scheiding tussen zoet en zout water kunnen zien, de halocline heet dat in het engels, geloof ik. Daarbij, zout water bevat zout opgelost in het water en is dus zwaarder dan water waarin geen zout zit. Natuurkundig zou het gekker zijn wanneer het andersom zou zijn...
In het oorspronkelijke artikel staat : ""The find strongly suggests that animals migrated from Asia to North America not around Alaska, as once thought, but directly across a freshwater sea floating atop the warm, salty Arctic Ocean." Geen wetenschapper dus die dit als waarheid aanneemt;'Suggest' is een essentieel onderdeel van de uitspraak van de ontdekker......
Het wordt dan ook (bewust ? ) weggelaten door de misquoting creationist :
""[The] animals migrated from Asia to North America not around Alaska, as once thought, but directly across a freshwater sea floating atop the warm, salty Arctic Ocean."
#Comment 96 Peter Mudde
" ....Er drijft een zoetwaterzee op een zoutwateroceaan in een tropies paradijs? Rara, rara, raar, waar is dat? ...." Voor de kust van Brazilie, voorbij de monding van de Amazone in de oceaan ... Overigens is zoals gezegd, een zoetwater'brug' een suggestie, geen conclusie... -Je kunt ook een andere suggestie doen : Moerasschildpadden leven wel vaker in zout water Ik heb er deze zomer nog 1 in een strandplas in Midden Amerika gevonden. Een Noordamerikaanse soort (Diamondbackturtle) is een bijna obligate zoutwaterbewoner.
Mexicanen tonen 72 miljoen jaar oude zeeschildpad
MEXICO-STAD - Paleontologen hebben donderdag in Mexico een fossiel tentoongesteld van een zeeschildpad die 72 miljoen jaar geleden leefde.
''De oudste die we tot nu toe hadden gevonden was 65 miljoen jaar oud en kwam uit de Verenigde Staten'', maakte het Nationaal Instituut voor Antropologie en Geschiedenis bekend.
Het fossiel is samen met de versteende resten van zes andere zeeschildpadden gevonden in Coahuila. Die plek wordt door Mexicaanse wetenschappers ook weleens het ''paleontologisch paradijs'' genoemd vanwege de vele vondsten.
Volgens de onderzoekers is de zeeschildpad een voorouder van de huidige groene zeeschildpad, ook wel soepschildpad genoemd
Een schildpad van 72 miljoen jaar oud en van nu (soepschildpad )zijn "onveranderd " wat hun uiterljjk betreft ( het "levend fossiel "argument )
Sommige dieren zoals de schildpad , krokodil en haaien zijn al miljoenen jaren morfologisch " hetzelfde" omdat zij eenvoudigweg toen al vroeg de robuuste en perfecte vorm hadden ontwikkeld in een levensmillieu dat eigenlijk weinig nieuwe uitdagingen heeft opgeleverd voor het morfologische bouwplan van die dieren gedurende die miljoenen jaren .
Vele andere vormen van andere organismen waren dat dus niet en moesten zich blijven aanpassen.
Bovendien weten we niets( met zekerheid die de gewone extrapolaties of de speculaties overschrijd ) over de innerlijke veranderingen , of de veranderingen in de niet geconserveerde ( niet- gefossileerde )weefsels van die dieren , noch van hun vroegere genetische programma's ...
Wetenschappers aan het Centrum voor Ontwikkelingsbiologie in Kobe (Japan) denken de embryologische herkomst van het schildpad-schild gevonden te hebben.
De Japanse embryologen vergeleken de groei van verschillende embryo’s van muizen, kippen en schildpadden.
Volgens een Japanse studie in vakblad Science is het schild van de schildpad ontstaan uit ribben. Tijdens de ontwikkeling van een schildpadembryo klapt een gedeelte van zijn lichaamswand dubbel. Daarbij omsluiten de ribben de schouderbladen aan de bovenkant. Op die manier ontstaat een bouwplan dat radicaal verschillend is van dat van andere gewervelden.
Met het skelet van de schildpad is iets vreemd aan de hand; de schouderbladen liggen aan de binnenkant van de ribben. Niemand weet hoe dat zo gekomen is, maar het heeft iets te maken met de ontwikkeling van het rugschild. Hierover zijn verschillende theorieën. De schouderbladen zijn wellicht naar achter verplaatst en op die manier onder het schild gedoken. Dit lijkt onwaarschijnlijk, omdat een achterwaartse verplaatsing van bot in ontwikkelende schildpadden nog nooit is waargenomen
Vergelijk deze twee filmpjes maar eens goed met elkaar. Wat valt je op? Bij de muis (onder) ligt het schouderblad (groen) boven de ribbenkast. Bij de schildpad (boven) ligt het schouderblad verstopt onder de ribben. Dit laatste is uniek en komt niet voor bij andere reptielen, vogels of zoogdieren. Video’s: Shigeru Kuratani en Hiroshi Nagashima, Science
Samengevoegde platen
Een tweede visie is dat het schild voortkomt uit kleine plaatjes bot (osteodermen) die in de diepe huidlagen van bijvoorbeeld krokodillen en hagedissen liggen. Bij de schildpad zouden deze kleine stukjes bot zijn samengevoegd tot grote platen waarin de ribben later zijn vastgegroeid. Er zijn twee problemen met dit scenario. Het verklaart niet hoe bot kan fuseren met ribben die normaal gesproken opzij groeien en we krijgen geen antwoord op de vraag hoe de schouderbladen op hun vreemde plek terecht komen.
Dubbelklappen
Japanse wetenschappers komen nu met een derde verklaring; de ribben vormen het schild van de schildpad. Om deze aanname te testen, vergeleken zij de ontwikkeling van de kip, de muis en de schildpad met elkaar. Als piepjong embryo lijken deze drie dieren sprekend op elkaar, maar tijdens de ontwikkeling van de schildpad gebeurt iets merkwaardigs. Een gedeelte van de lichaamswand klapt dubbel, waardoor de ribben zich naar boven richten en daarbij de schouderbladen omsluiten. Het schild is geboren.
Embryo’s van de kip (boven) en de schildpad (onder).
In eerste instantie lijken zij veel op elkaar. Bij de schildpad ontstaat, gedurende de ontwikkeling, het rugschild (cr).
Tijdens de groei van het embryo constateerde de Japanners dat de lichaamswand van de schildpad zich dubbelvouwt, waardoor een lichaamsplooi onstaat.
Tijdens het omklappen van de lichaamswand blijven bepaalde verbindingen tussen ontwikkelend bot en spier bestaan, maar er vormen zich ook nieuwe connecties. Deze laatste zijn uniek; het zijn verbindingen die we niet zien bij andere reptielen, vogels of zoogdieren.
Oerschildpad
De Japanners vergeleken hun resultaten met de waarnemingen die pas geleden aan de (voor zover bekend) oudste fossiele schildpad werden gedaan. Deze ‘oerschildpad’ leefde ongeveer 220 miljoen jaar geleden en had nog geen rugschild. Toch onderstreept het fossiel de resultaten van de Japanse onderzoekers. Bij de oerschildpad was het buikschild al gedeeltelijk in ontwikkeling en bovendien was de ligging van zijn ribben vergelijkbaar met die van de moderne schildpad.
Door die verandering groeien de ribben in een rechte lijn, waardoor een cirkel ontstaat. In de huid van de schildpad ontstaat een cirkelvormige verdikking, die dienst doet als rand van het schild.
Tandwiel Als de ribben volgroeid zijn sluiten ze aan op de cirkel, waardoor een soort tandwiel ontstaat op de rug van de schildpad. In de fase daarna groeien de ribben naar elkaar toe tot één geheel: het schild.
Op de afbeelding die door de onderzoekers is vrijgegeven is te zien dat de schouders van de schildpad onder het schild zijn gegroeid.Onderzoeker Hiroshi Nagashima publiceerde zijn bevindingen in het tijdschrift Science.
Gefossiliseerde schildpad heeft extreem dik schild
Tim Kraaijvanger op 7 april 2010
Wetenschappers hebben in een Colombiaanse kolenmijn de restanten van een schildpad gevonden. Hoewel sommige schildpadden zeer klein of juist zeer groot zijn, blinkt de gevonden schildpad ergens anders in uit: de dikte van zijn schild. Het schild is namelijk even dik als een boek met 400 pagina’s.
Waarom was het schild van deze schildpad zo dik?
Wetenschappers denken dat het misschien nodig was om het dier te beschermen tegen gigantische roofdieren, zoals prehistorische krokodillen. Of misschien beschermde het schild tegen de Titanoboa cerrejonensisa, de grootste slang ooit ontdekt.
The fossilized shell of Cerrejonemys wayuunaiki measured about 1 meter across and was about 35mm thick. - Edwin Cadena
Op zich is het best mogelijk. De schildpad met de naam Cerrejonemys wayuunaiki leefde zestig miljoen jaar geleden. In dezelfde periode kwamen prehistorische krokodillen en gigantische slangen voor. Dit betekent dat de schildpad kort na het uitsterven van de dinosauriërs op aarde leefde.
“Dit soort fossielen geven een momentopname van het eerste moderne regenwoud in Zuid-Amerika”, vertelt wetenschapper Carlos Jarmillo van het Smithsonian tropisch onderzoeksinstituut. “De schildpad leefde na het uitsterven van de dinosauriërs en voordat de Andes ontstond. Hopelijk vertelt het fossiel ons meer over de omgeving waarin de schildpad leefde.”
Hoe schildpad inslag meteoriet overleefde die dino's uitroeide
65 miljoen jaar geleden werd de dinosaurus uitgeroeid door een gigantische meteorietinslag. Volgens Amerikaanse paleontologen hebben de Boremys-schildpadden de verwoestende klap wél overleefd. Onderzoekers hebben in Noord-Dakota en Montana immers fossiele resten gevonden die dateren van de periode van de inslag.
Hoe hebben ze dat in godsnaam overleefd? De wetenschappers denken dat hun trage stofwisseling aan de basis ligt.
“We denken dat deze schildpadden (die in het water leefden, red.) de meteorietinslag konden overleven, omdat ze van nature diverse gedragskenmerken hebben die ze helpen om te overleven in zware tijden,” legt onderzoeker Walter Joyce uit. “Als het te koud is, gaan ze in winterslaap. Als het te warm of te droog is, graven ze zichzelf in in de modder (tot het probleem voorbij is, red.). Dat zijn gewoonten die handig zijn tijdens alledaagse situaties, maar blijkbaar ook tijdens meteorietinslagen.”
Eten De schildpad at van alles: een kenmerk dat ook handig was in tijden dat er geen uitgebreid buffet beschikbaar was. De kleinste Boremys werd niet veel groter dan 24 centimeter, maar er waren ook exemplaren van 80 centimeter lang. De schildpad deed het heel goed in de periode tussen 80 en 42 miljoen jaar geleden. Zeker na de massa-extinctie die 65 miljoen jaar geleden plaatsvond.
Zeer taai "Boremys-schildpadden waren zeer taaie dieren. Ze konden overleven in zeer moeilijke omstandigheden. Dinosaurussen bezweken en ook landschilpadden haalden het niet. De zeeschildpadden: die bleven in leven", zegt Tyler Lyson van Yale University.
Toch uitgestorven De meteoriet die insloeg op het Mexicaanse schiereiland Yucatan had een diameter van tien kilometer en een snelheid van meer dan 80.000 kilometer per uur.
Maar uiteindelijk kwam ook voor de Boremys het onvermijdelijke einde in zicht: het dier stierf uit. Waardoor? Wetenschappers weten het niet precies, maar vermoeden dat de opmars van zoogdieren en vogels (na het uitsterven van de dino’s) de schildpadden fataal is geworden. De schildpadden stonden waarschijnlijk op het menu van veel kleine roofdieren. Ze waren nog niet in staat om hun kop in te trekken, waardoor ze werden doodgepikt of onthoofd .
Het onderzoek laat zien dat de massa-extinctie veel complexer was dan gedacht. Maar het vertelt ons ook iets over de situatie anno 2011.
Schildpadden zijn taaie dieren die al honderden miljoenen jaren bestaan, maar ze hebben het tegenwoordig ook heel moeilijk en dat is vooral de schuld van de mens. “Ze overleefden de asteroïde,” stelt expert James Parham. “Maar ze kunnen onze soort niet overleven.”
aDepartment of Geology and Geophysics, Yale University, 210 Whitney Avenue, New Haven, Connecticut 06511, < tyler.lyson@yale.edu>
bMarmarth Research Foundation, Marmarth, North Dakota 58643
cInstitut für Geowissenschaften, University of Tübingen, Sigwartstraße 10, 72076 Tübingen, Germany, < walter.joyce@uni-tuebingen.de>
dYale Peabody Museum of Natural History, 170 Whitney Avenue, New Haven, Connecticut 06511
Abstract
Over the course of the last two decades, the baenid taxon Plesiobaena has typically been thought to consist of two named species, Plesiobaena antiqua (Campanian) and Plesiobaena putorius (Paleocene), along with an unnamed species from the Maastrichtian, but the interrelationship of these three taxa was never explored in an explicit phylogenetic context. Herein we present or re-describe a number of relevant specimens and provide a cladistic analysis of Baenidae using species only as terminal taxa. The phylogenetic analysis clearly reveals that Plesiobaena in the traditional sense is a paraphyletic assemblage relative to the clade formed by Gamerabaena sonsalla and Palatobaena spp., thus demanding some nomenclatural adjustments. In particular, Plesiobaena putorius is moved to a new genus, Cedrobaena, and the unnamed taxon from the Maastrichtian is formally named Peckemys brinkman. Many of the new Cedrobaena putorius and Peckemys brinkman specimens described herein were found at the Turtle Graveyard locality in Slope County, North Dakota, along with four other turtle taxa, increasing the turtle diversity of this locality to at least six taxa. Although this indicates that Turtle Graveyard is the world's most diverse fossil turtle thanatocoenosis, a comparable diversity is found in modern river systems in the southeastern United States today. Our phylogenetic analysis indicates that seven out of nine latest Cretaceous baenid turtle lineages survived into the Paleocene, four of which are interpreted as being durophagous.
Accepted: June 18, 2009
APPENDIX I
Description of the single character added to the analysis of Lyson and Joyce (in press): 72. Lateral expansion of parietal: 0) maximum combined width of parietals is less than length; 1) maximum combined width of parietals is greater than length.
Figure 1.
Cedrobaena putorius, gen. nov., material from the Cedar Point Quarry, Early Tiffanian, Paleocene. A. Partially crushed holotype skull (YPM PU14984) in dorsal, ventral, and right lateral views (left to right). B. Referred Cedrobaena putorius skull (YPM PU 16837) from a juvenile individual in right lateral view. C. Referred Cedrobaena putorius skull (YPM PU 20600) in dorsal, ventral, and right lateral views (left to right). Arrows indicate autapomorphies for Ce. putorius: posterior extension of frontals ends within orbit; well developed parietal overhang overlying supraoccipital with parallel sides; and posteroventral closure of the incisura columellae.
Figure 2.Cedorbaena putorius skull (FMNH PR 2258) from the Hell Creek Formation (latest Maastrichtian) of South Dakota. Illustrations (bottom) and photographs (top) in dorsal (left), ventral (middle), and right lateral (right) views. Abbreviations: bo, basioccipital; bs, basisphenoid; ex, exoccipital; fr, frontal; ju, jugal; mx, maxilla; op, opisthotic; pa, parietal; pal, palatine; pfr, prefrontal; pmx, premaxilla; po, postorbital; pt, pterygoid; qj, quadratojugal; qu, quadrate; so, supraoccipital; sq, squamosal; vo, vomer.
Figure 3.Cedorbaena putorius skull (MRF 239) from Turtle Graveyard locality in the Hell Creek Formation (latest Maastrichtian) of southwestern North Dakota. Illustrations (bottom) and photographs (top) in dorsal (left), ventral (middle), and left lateral (right) views. Abbreviations: bo, basioccipital; bs, basisphenoid; fr, frontal; ju, jugal; mx, maxilla; op, opisthotic; pa, parietal; pal, palatine; pfr, prefrontal; po, postorbital; pr, prootic; pt, pterygoid; qj, quadratojugal; qu, quadrate; so, supraoccipital; sq, squamosal; vo, vomer.
Figure 4.Peckemys brinkman (gen. et sp. nov.) skull (UMMP 20490, holotype) from the Hell Creek Formation of northeastern Montana, near Fort Peck. Photograph (top) and illustration (bottom) in dorsal (left), ventral (middle), right lateral (top right), and posterior (bottom right) views. Abbreviations: bo, basioccipital; bs, basisphenoid; ex, exoccipital; fr, frontal; ju, jugal; mx, maxilla; na, nasal; op, opisthotic; pa, parietal; pal, palatine; pfr, prefrontal; pmx, premaxilla; po, postorbital; pr, prootic; pt, pterygoid; qj, quadratojugal; qu, quadrate; so, supraoccipital; sq, squamosal; vo, vomer.
Figure 5.Peckemys brinkman skull (MRF 231) from Turtle Graveyard locality in the Hell Creek Formation (latest Maastrichtian) of southwestern North Dakota. Photograph (top) and illustration (bottom) in dorsal (left), ventral (middle), left lateral (top right), and posterior (bottom right) views. Abbreviations: bo, basioccipital; bs, basisphenoid; ex, exoccipital; fr, frontal; ju, jugal; mx, maxilla; na, nasal; op, opisthotic; pa, parietal; pal, palatine; pfr, prefrontal; pmx, premaxilla; po, postorbital; pt, pterygoid; qj, quadratojugal; qu, quadrate; so, supraoccipital; sq, squamosal; vo, vomer.
Figure 6.Peckemys brinkman lower jaw (UMMP 20490, holotype) photographs (left) and line drawings (right) in dorsal (top), right lateral (middle), and medial (bottom) views. Abbreviations: ang, angular; art, articular; cor, coronoid; den, dentary; pra, prearticular; sp, splenial; sur, surangular.
Figure 7.Peckemys brinkman shell (UMMP 20490, holotype) photographs (left) and line drawing (right) in dorsal (top) and ventral (bottom) views showing the scute morphology. Abbreviations: ab, abdominal; an, anal; ce, cervical; eg, extragular; fem, femoral; hum, humeral; ifm, inframarginal; pec, pectoral; pl, pleural; ve, vertebral. Shaded area in line drawing represents foam padding.
Figure 8.Peckemys brinkman cervical vertebrae (UMMP 20490, holotype) line drawing of the 2nd–8th cervical vertebrae (top) in right lateral view modified from Case 1639 and photograph of 2nd–6th cervical vertebrae (bottom) in right lateral view.
Figure 9.Peckemys brinkman caudal vertebrae (UMMP 20490, holotype) photograph in right lateral view.
Figure 10.Peckemys brinkman left manus (UMMP 20490, holotype) photograph (left) and line drawing (right) in ventral view. Abbreviations: dc I, distal carpal I; ca V, distal carpal V; in, intermedium; mc I, metacarpal I; mc III, metacarpal III; mc V, metacarpal V; pi, pisiform; ra, radiale; rad, radius; ul, ulnare; uln, ulna. Lateral centrale (left) and medial centrale (right) are shaded gray.
Figure 11.Peckemys brinkman left pes (UMMP 20490, holotype) photograph (left) and line drawing (right) in dorsal view. Abbreviations: asc, astragalocalcaneum; dt I, distal tarsal I, dt IV, distal tarsal IV; fi, fibula; mt I, metatarsal I; mt V, metatarsal V; ti, tibia.
Figure 12. Baenidae cladogram mapped against the stratigraphic range from which each taxon has been reported (bold lines). Support for each node is measured using bootstrap frequency (top) and Bremer support for each clade (bottom).
Notes to Tables
Appendix 2. Character-taxon matrix for the phylogenetic analysis performed in this study. Missing data are coded as “?”. Polymorphic character states are coded as: a = 0/1 and b = 0/2.